| Letter: normaal | groot | Team290 is onderdeel van | ![]() |
Ziekte van AlzheimerDe ziekte van Alzheimer is een aandoening van de zenuwcellen (neuronen) van de buitenste laag van de (grote) hersenen, de zogeheten hersenschors. In de hersenschors vindt tijdelijke, kortdurende opslag van informatie plaats. Daarnaast vinden hier processen plaats die ervoor zorgen dat mensen allerlei complexe en intellectuele functies uit kunnen voeren, zoals spreken, schrijven, lezen, rekenen, autorijden, gezichten herkennen. Ook zorgt de hersenschors ervoor dat mensen in staat zijn ingewikkelde problemen op te lossen, initiatieven te nemen en te plannen. Het gevolg van de schade aan de hersenschors is dat mensen met de ziekte van Alzheimer bovengenoemde functies niet meer goed kunnen verrichten en zich op een gegeven moment niet meer zelfstandig kunnen redden in het dagelijks leven. De ziekte van Alzheimer begint meestal tussen de 70 en 80 jaar, maar kan ook op veel jongere leeftijd al beginnen. De ziekte kan per persoon verschillend verlopen wat betreft: de aard, de ernst en het tempo van het proces. Over het algemeen ontwikkelt de ziekte zich heel geleidelijk, waardoor het begin vaak niet wordt opgemerkt. Als de ziekte vordert worden de verschijnselen duidelijker en wordt de persoon steeds afhankelijker van zijn of haar omgeving. Mensen met de ziekte van Alzheimer worden vaak angstig en onzeker door het verlies van zelfstandigheid en controle. Hieronder wordt kort weergegeven in welke fase van de ziekte welke problemen met name naar voren komen bij iemand met Alzheimer. Beginfase Middenfase
Ook ontstaan er problemen bij het denken. De persoon met dementie beseft niet goed meer wat gepast is of beoordeelt situaties verkeerd. Hij kan zich bijvoorbeeld in gezelschap gaan uitkleden, of is bang voor de televisie omdat de beelden door de persoon als werkelijk worden beleefd. Opvallend is dat de persoon met dementie meestal zelf niet inziet dat hij ziek is. Sommige mensen met dementie wisselen snel van stemming. Iemand kan snel kwaad worden, maar het volgende moment weer goede zin hebben. Dit kan onder andere te maken hebben met het vergeten van de aanleiding tot de kwaadheid. In het algemeen lijkt men de emoties niet meer goed in de hand te hebben. Veel patiënten zijn onrustig en dan met name ’s nachts, door de omkering van het dag- en nachtritme. Eindfase |